Dit artikel hoort bij: InZicht Juli 2019

“Vaak gaat het eigen belang voor dat van de burger”

In de strijd tegen ondermijning is een goede samenwerking tussen overheidsinstanties van essentieel belang. Maar toch laat juist die samenwerking nog vaak te wensen over. Dat is de boodschap van Caspar Hermans, net vertrokken als directeur van de Taskforce Brabant Zeeland: “Vaak heeft iedere instantie een eigen belang dat boven het maatschappelijke belang gaat.”

Vijf jaar lang heeft Caspar Hermans als directeur bij de Taskforce Brabant Zeeland geprobeerd om alle betrokken instanties als het OM, de politie, de Belastingdienst en gemeentes te laten samenwerken. Samen, als één overheid, in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit.  Naar eigen zeggen is dat binnen deze regionale Taskforce goed gelukt. Maar het heeft flink wat voeten in aarde gehad. De problemen waar hij met de Taskforce tegenaan gelopen is, ziet hij nog teveel terug in andere regio’s. Nog te vaak merkt hij dat de eigen belangen van de organisaties voor het belang van het uiteindelijke doel gaan; de aanpak van de ondermijnende criminaliteit

In de Taskforce Brabant Zeeland was het jouw taak om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen. Hoe was dat?

“Toen we ermee begonnen hadden we niet voor ogen hoe het zou uitpakken. Het was een zoekplaatje. We wisten wat we wilden bereiken en we wisten ook dat er frustraties zouden komen. Kijk, een boel gaat echt heel goed bij de justitiële instanties. Ze draaien indrukwekkende zaken en zijn daar druk mee. Als daar nog eens het onderwerp samenwerking bijkomt, dan wordt dat als ingewikkeld ervaren, omdat het al moeilijk genoeg is om lastige zaken door de bureaucratie van je eigen instantie heen te krijgen.”

Is het gelukt met de samenwerking?

“Ik had destijds niet kunnen bevroeden dat we zo’n dominante positie zouden innemen in vijf jaar tijd. Een samenhangende aanpak, dat is nu zoals de Taskforce het doet. Wat we destijds misten was een uitvoeringsgerichte gezamenlijke aanpak. Niet praten maar doen. Die doe-kracht hebben we georganiseerd in een regionaal actiecentrum. Dat actiecentrum is er nu met alle vier de kernpartners van het RIEC; gemeenten, Politie, Belastingdienst en het OM. De doe-kracht staat nu bovenaan de lijst. Het RIEC zorgt voor de informatie-uitwisseling en expertise-ondersteuning die daarvoor nodig is. En het is belangrijk om te laten zien wat je hebt gedaan, verantwoording af te leggen.”

Noem eens een paar voorbeelden?

“De aanpak van Fort Oranje is een mooi voorbeeld van goede samenwerking, zwarte betalingen aan amateurvoetbalclubs, de aanpak van drugsproductielocaties in ons buitengebied. We hebben constant laten zien; dit is wat we doen, dit zijn onze resultaten. Als je dat doet, blijven mensen in de Taskforce geloven want ze zien er het nut van in. Verhalen over hoe we Klaas O. hebben aangepakt, die spreken meer aan dan een pak beleidspapier. Constant je tanden laten zien. Het OM kan ook de positieve zaken uit een samenwerking extra te benoemen op een zitting. Als je daar de media-aandacht hebt, geef dan ook daar de preventie en samenwerking een smoel.” 

"Verhalen over hoe we Klaas O. aanpakken spreken meer aan dan een pak beleidspapier"

Hoe moet je mensen binnen een organisatie als OM of Politie dan meekrijgen voor zo’n samenwerking?

“Daarvoor heb je een heel goed verhaal nodig naar je eigen collega’s toe. De belangrijkste voorwaarde is strategische steun en dekking geven aan de goede mensen. Ze moeten stevig genoeg gepositioneerd worden. En voor de gezamenlijke aanpak geldt dat je buiten de gebaande paden moet durven denken.”

De Taskforce is regionaal opgezet. Ondermijning is toch niet alleen iets regionaals?

“Ik zeg altijd ‘hoe groter de schaal, hoe vager het verhaal’. Regionaal weten we waar we het over hebben, we hebben een regionaal bestel. OM, politie en belastingdienst, ze zijn regionaal georganiseerd. Op nationaal niveau zijn vooral hulpstructuren handig. Landelijke diensten hebben altijd de lokale of regionale diensten nodig om zo goed mogelijk te kunnen slagen. Als jij als Landelijke Recherche bijvoorbeeld een pand in een haven binnenvalt, is het wel fijn als de lokale autoriteiten ook op de hoogte zijn. Echt waar; georganiseerde misdaad bestrijden lukt het beste vanuit de regio.”

(De tekst gaat door onder de foto)

"Ontwikkeling krijg je van onderuit. Op lokaal niveau zit de pijn en dus de motivatie om iets aan die pijn te doen"

De 100 miljoen euro van Grapperhaus

“…die zijn daar een mooi voorbeeld van. Er is bij het verdelen van het geld voor gekozen om de regio’s zelf hun versterkingsplannen te laten schrijven, om aan te sluiten bij hun eigen problematiek en ontwikkelstadium. Want hoe krijg je ontwikkeling in beweging? Van onderuit, lokaal en regionaal. Daar zit namelijk de motivatie om iets te doen als je ergens last van hebt. Je kan beter vragen wat iemand nodig heeft om ondermijning aan te pakken en daar bij helpen, dan van bovenaf opleggen wat een organisatie moet gaan doen.”

Hadden mensen bij het begin van de Taskforce door wat ondermijning was?

“Alle professionals in onze regio hadden al snel door dat ondermijning een probleem was. Die voelden de pijn wel. We hebben dicht op de huid gezeten, want als het dichtbij komt dan komt er urgentie om iets aan het probleem te doen. We hebben in Brabant op de informatiepositie en de samenwerking een supersterke samenwerking opgebouwd. We hebben een RIEC, stuurploeg, projecten. We hebben een clubje mensen verzameld die er elke dag mee bezig zijn, die echt iets doen.”

Toch is het niet allemaal even makkelijk gegaan. Samenwerking tussen verschillende overheidsorganisaties blijft iets ontzettend moeilijks. Vlak voordat het interview begint leest Hermans een column uit de Trouw van die dag voor. Het opiniestuk van Stevo Akkerman gaat over de Belastingdienst. Hermans citeert: “Er kwam nog een typische eigenschap van de bureaucratie naar voren. Namelijk de neiging om het belang van de eigen organisatie boven dat van de burger te stellen(…)”. Hij stopt met lezen en kijkt met een veelzeggende blik over zijn bril. “Heel herkenbaar”, zegt hij dan. Zelf heeft hij de afgelopen jaren alle smoezen uit het zelfbenoemde ‘Grote Smoezenboek’ voorbij horen komen.

Samen met Femke van de Plas en Hans Boutellier heeft Hermans het boekje Ontsporende Vrijheid geschreven. In dit boekje proberen de auteurs uit de doeken te doen tegen welke obstakels de Taskforce aangelopen is in de strijd tegen de ondermijning. Ontsporende Vrijheid biedt lessen vanuit de praktijk, probeert handvatten te bieden en licht uit waar de successen behaald zijn.

Het Grote Smoezenboek?

“’We komen capaciteit tekort’, ‘het mag niet van mijn baas’, ‘onze instantie mag deze informatie niet vrijgeven’, ‘het dient niet ons directe doel’, ‘bij nader inzien heeft het toch geen prioriteit’. Alles heb ik afgelopen jaren voorbij horen komen om iets níet te hoeven doen, bijvoorbeeld omdat ze al te druk zijn. Als we een probleem als ondermijnende criminaliteit echt willen aanpakken, dan moeten iedere betrokken partij zich daarvoor inzetten. En dus gaan samenwerken. Nogmaals, instituties als het OM, de rechtelijke macht en politie doen 80 tot 90 procent van hun zaken gewoon echt ontzettend goed. Maar in die andere tien procent, daar zitten de grote problemen.”

Hoe kan dat?

“De magistratuur, de politie en bijvoorbeeld de belastingdienst zijn mee gaan buigen met de politiek van new public management, waarbij overheden als bedrijven gerund worden en burgers als klanten gezien worden.  Achteraf gezien kan je stellen dat het ze geen goed gedaan heeft. Deze instanties moeten er zijn voor de samenleving als geheel, niet voor een burger als klant. De slechteriken moeten een tik op hun neus krijgen. Maar ons rechtssysteem heeft bijna geen afschrikkende werking meer. En dat is natuurlijk best pijnlijk.”

"Het is een beetje alsof je tien miljoen in een voetbalclub stopt, maar je toch nog vijfde klasse speelt. Dat is best pijnlijk"

Wil je dat eens uitleggen?

“Ondanks alle processen, alle beleidsbrieven, alle  slagkracht van de individuele organisaties heeft de ondermijnende criminaliteit ongelooflijk kunnen floreren. Dan doe je ergens iets niet goed. Dat is alsof je tien miljoen euro in een voetbalclub stopt en je toch nog in de vijfde klasse speelt.”

Zijn de straffen te laag? Zijn we niet lenig genoeg om mee te bewegen met criminele organisaties?

“Het criminele verdienmodel is gigantisch, de pakkans is klein. Maar de simpele conclusie die we nu kunnen trekken is dat we het misschien uit een ander vaatje moeten tappen. Naast strafrechtelijke moeten we ook bestuurlijke en fiscale maatregelen nemen, zonder dat je de strafrechtketen daarmee een onvoldoende geeft. Je hebt het strafrecht nodig om de samenleving te laten zien dat je als crimineel er niet mee wegkomt.”

Bestuurlijke en fiscale maatregelen. Die komen er nog eens bij…

“Dat komt nog naast de gezamenlijke aanpak. Die aanpak staat niet in de wet vastgelegd voor bijvoorbeeld politie en OM, maar het terugdringen van de criminele industrie is iets waar we wel gezamenlijk op in kunnen zetten. Op papier is iedereen het daarover eens, maar in de praktijk loop je tegen de inactiverende traagheid aan, namelijk dat eerdergenoemde smoezenboek. Dat maakt het zo ongelooflijk taai.”

Waarom komt het dan zo moeilijk van de grond, het is jullie ook gelukt?

“Mensen denken dat samenwerking tussen overheidsinstanties heel logisch is. Dat we dat allang doen. Maar niemand durft hardop te zeggen dat die samenwerking verdraaid lastig is. Het is echt een vak, niet zomaar iets wat je er ‘even’ bij doet. Het vraagt om je nek boven je eigen organisatiebelang uit te steken. Bij veel instanties hangt bijvoorbeeld hun financiering af van de output. Je richt je dan meer op productie draaien en daarmee dus geld te krijgen, dan op de maatschappelijke sturing.”

"Het OM moet haar bevoegdheden inzetten voor haar rol als hoeder van de rechtshandhaving"

Dus je eigen instantie voor het maatschappelijk belang?

“Juist. Je focus ligt dan niet meer bij samenwerken. In plaats van een maatschappelijk probleem oplossen, zoals ondermijning, ben je dus eerst je eigen organisatorische problemen aan het aanpakken.”

Hoe is dat bij het Openbaar Ministerie, vind je?

“Er worden binnen het OM geen scenario’s doordacht wat de eigen bijdrage kan zijn binnen zo’n samenwerkingsverband. Het OM moet haar bevoegdheden inzetten voor haar rol als hoeder van de rechtshandhaving. Je hebt namelijk het gezag, je hebt een voorbeeldfunctie en vanuit die rol kan je voor gemeenschappelijkheid staan. Je hoeft geen voortrekkersrol te hebben, maar het is wel belangrijk om mee te doen. Maar dat is totaal nog niet uitontwikkeld, ik zie daar geen beweging in. Wat nodig is zijn gezaghebbende OM’ers op hoog niveau die niet blijven hangen in ‘dat het wel goed gaat met de samenwerking’, maar iemand die echt gaat sturen op de samenwerking.”

Hermans heeft in zijn vijf jaar de Taskforce verder opgebouwd, maar nu is het tijd voor iets anders. Van de 100 miljoen van Grapperhaus voor de aanpak van ondermijning gaat bijna een kwart naar Brabant Zeeland. Dat is voor Hermans het signaal geweest dat zijn werk erop zit en om iets anders te gaan doen. Nu heeft hij het stokje overgedragen aan Ad van Mierlo.

Waarom wilde je wat anders gaan doen?

“Ik zat er drie jaar en heb daarna nog een keer verlengd. Maar het is een tropenbaan, want in deze functie ben je het stootkussen voor alle shit die er is tussen de samenwerkende partners. Denk aan alle smoezen van mensen die, als je ze gaat uitzoeken, toch vaak makkelijk te weerleggen blijken. Je bent voortdurend mensen aan het corrigeren. Het kost ontzettend veel energie.”

"Op de beslissende momenten moet je zorgen dat iedereen het gezamenlijke doel in de gaten blijft houden"

Een baan waar je politiek moet bedrijven.

“De reden dat ik het wel 5,5 jaar heb uitgehouden is omdat ik echt wel weet wanneer ik moet meebewegen en diplomatiek gedrag moet vertonen om niet iedereen te verliezen. Je kan wel onorthodox willen werken, maar je moet ook weten wanneer je het gas eraf moet halen. Op de beslissende momenten moet je zorgen dat iedereen het doel in de gaten blijft houden.”

Wat geef je je opvolger Ad van Mierlo mee?

“Het gaat om de goede mensen. Die moet je voor je zien te winnen. Dat heb ik ook al tegen hem gezegd. Als je die kwijt bent, dan gaat het mis. En laat ze ook aan elkaar vragen waarom ze bepaalde keuzes maken onderling. Dan gaat men daar ook beter over nadenken. Er is een groot verschil tussen bijvoorbeeld een officier van justitie die individueel handelt en een officier die in nevenschikking met partners samenwerkt en uitlegt waarom hij keuzes maakt.”

Blijf je nog wel binnen de ondermijning bezig?

“Dit onderwerp gaat me wel aan het hart. Vanaf het najaar ga ik als ZZP'er beginnen en hoop ik op klussen waar niemand zijn vingers aan wil branden. Ik ben iemand die graag complexe samenwerkingen op gang brengt. Ik denk wel dat ik heb laten zien dat ik dat kan.”

Onorthodoxe aanpak

“Het voelt voor mensen heel erg oneerlijk als je als goede burger een gemeentelijke vordering netjes betaalt, terwijl iemand die zijn kont ermee afveegt en er ook nog mee weg komt.”

Volgens Hermans gaat het om het rechtvaardigheidsgevoel. In het boekje Ontsporende Vrijheid wordt gesproken over een ‘onorthodoxe aanpak’. Het staat vooral voor een breuk met het beleid tot dan toe. “Als er gezegd wordt dat het niet mogelijk is, blijf dan de vraag stellen waarom dat dan niet kan.” Hermans geeft een voorbeeld: “Hoezo is het zo dat als een gemeente een vordering heeft  bij een burger, die toevallig ook een ‘ondermijner’ blijkt te zijn, deze vaak niet wordt geïnd? Waarom zouden we daar geen werk van maken, want anders komt de vordering op de wachtstapel die niet betaald wordt? Nou, daar blijken we dus gewoon wél werk van te kunnen maken.”

Het gaat er volgens Hermans dus steeds om te kijken naar wat er juist wel mogelijk is.