Niet alleen een juridische aanpak, maar ook het verbeteren van kwetsbare wijken zou goed kunnen helpen in de strijd tegen ondermijning. Dat betoogt Hans Boutellier, wetenschappelijk directeur bij het Verwey-Jonker Instituut en hoogleraar Veiligheid en Veerkracht aan de Vrije Universiteit. Zijn gouden tip? “Investeer flink in de meest problematische wijken. De gemeenten zijn daarvoor aan zet, maar ook de nationale overheid moet meer oog hebben voor lokale problemen”.

Hans Boutellier

Wie is Hans Boutellier?

Hans Boutellier (1953) gaat al een behoorlijke tijd mee op het terrein van criminaliteit en veiligheid. Hij heeft een voorliefde voor het bekijken van thema’s vanuit een moreel perspectief en hij ziet daar afgelopen decennia dat ook grote veranderingen. Hij schrijft zowel intellectuele, filosofische en politieke analyses als down to earth onderzoeken. Boutellier is wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut en hield zijn afscheidsrede als hoogleraar Veiligheid & Veerkracht aan de Vrije Universiteit. Maar hij blijft bij beide instituten actief.

Hans Boutellier (66) is aan het einde van zijn leeropdracht als hoogleraar, maar aan pensioen moet hij nog lang niet denken: “Deze leerstoel loopt af vanwege mijn leeftijd”, zegt hij monter, “maar ik wil nog helemaal niet stoppen! Ik ben nog ongelooflijk actief, ik schrijf als een dolle!” Hij glimlacht en geeft een knipoog. Een van zijn meest recente werken is het essay ‘Weerbare wijken tegen ondermijning’ .

Het essay is gericht op een nieuwe wijkaanpak om ondermijnende criminaliteit tegen te gaan. Broodnodig, want mensen in achterstandsbuurten hebben te maken met armoede en daardoor ook vaak met problemen als schulden, werkloosheid, verslaving en gezondheidsproblemen. Daarom lonkt de criminaliteit, vooral de ondermijnende drugscriminaliteit. Volgens Boutellier moet voorkomen worden dat wijken zo op afstand raken. Je moet mensen ook perspectief bieden.

Boutellier legt uit hoe je op twee manieren die ondermijning kan doorbreken. Natuurlijk is er de repressieve kant. “Je moet de ontwrichtende werking van de drugsindustrie aanpakken door middel van goede samenwerking tussen politie en justitie, door criminelen te vervolgen, urgentie te geven aan de aanpak en door in te zetten op capaciteit en kwaliteit van strafrechtelijke aanpak. Dat is de ene kant. Tegelijkertijd moet je een sociaal maatschappelijk offensief starten. Dat wil zeggen dat je moet investeren in problematische wijken en buurten, versterk de weerbaarheid van de bewoners, creëer kansen voor mensen, zorg voor maatschappelijke vooruitgang!” En daar is in zijn ogen nu nog te weinig sprake van.

"Zet in op de wijk, versterk de weerbaarheid van bewoners en creëer kansen."

Terwijl hij dat uitlegt, blijft hij benadrukken dat de ene manier de andere niet moet uitsluiten. “Je moet beide doen. Als je de kwaliteit van de samenleving hoog houdt, krijg je onherroepelijk minder problemen, minder tegenstellingen en minder wrok tussen mensen.” Boutellier geeft een positief en een negatief voorbeeld, te beginnen bij de banlieues in en rondom Parijs: “Daar is het volstrekt uit de hand gelopen. Investeringen in de wijk ontbreken, je ziet dat de criminaliteit daardoor welig tiert. En daar reageert de politie weer op, ze slaan erop los. Dat is een kwalijke ontwikkeling. Zo ver is het in Nederland gelukkig nog lang niet, maar we moeten voorkomen dat we die richting op gaan.” Het is voor Boutellier toonbeeld voor hoe het niet moet.

Nationaal programma

Een positief voorbeeld ziet hij wel in eigen land. In Rotterdam Zuid heeft de overheid volgens de hoogleraar wél oog voor de lokale problemen. In het Nationaal Programma Rotterdam Zuid is de inzet van de gemeente op de wijk. Dat doen ze samen met allerlei (overheids)partners zoals politie, justitie, scholengemeenschappen en zorginstellingen. Dat de nationale overheid daar geld insteekt, ziet Boutellier als noodzaak: “Zo’n aanpak van een ‘probleemwijk’ kan alleen maar slagen met een goed, nationaal programma. Rotterdam Zuid is een goed voorbeeld van een gezamenlijke inzet om de wijk.” Maar, concludeert hij ook, het is de uitzondering. En dat is anders geweest.

"We hebben een traditie van investeren in wijken en buurten"

Vanaf de Tweede Wereldoorlog is altijd flink geïnvesteerd in wijken. Boutellier somt ze op: na de wederopbouw kwamen in de jaren negentig het  Grotestedenbeleid, het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwingen en de Vogelaarwijken. “We hebben een traditie van investeren in wijken en buurten. Dat is weggezakt. Het sociaal domein is gedecentraliseerd (en daar komt de inburgering bij). Gemeenten kregen veel verantwoordelijkheden naar zich toe geschoven.” Toch ziet de hoogleraar deze derde fase als een nieuwe kans.

Volgens hem kunnen gemeenten een nieuwe impuls geven aan de traditie van wijkaanpak: “Zij hebben de mogelijkheden om iets te gaan doen, maar er kan veel meer dan nu gebeurt met steun van de nationale overheid. Laat gemeenten met plannen komen voor die wijken, waarbij ze samenwerking zoeken met justitie, politie, scholen, verenigingen. Net zoals in Rotterdam-Zuid. Dan kan de nationale overheid daarbij helpen met kennis en financiële middelen. Burgemeesters kunnen dan staan voor lokale leefbaarheid. Want nu dienen zij in mijn ogen vaak teveel als een verlengstuk van het strafrechtelijke systeem.”

Voetbalteam

Boutellier maakt al jaren graag een vergelijking tussen het veiligheidsveld en een voetbalelftal. Hij pakt een vel papier en begint druk te tekenen: “Kijk”, zegt hij, terwijl hij een voetbalveld uittekent. “De sluitpost van een elftal, de laatste redding, dat is de keeper. In het veiligheidsveld is de rol van keeper weggelegd voor het strafrecht; justitie. Als niemand het meer weet, dan is justitie de sluitpost en kan de klap uitdelen. Ik vind dat we daar nu met z’n allen nog teveel naar kijken.”

Zijn pen vliegt over het papier, verschillende verdedigers verschijnen in het veiligheidselftal: “In een goed elftal wil je eigenlijk voorkomen dat de bal bij de keeper komt. Dus je hebt een goede verdediging nodig. In de aanpak van ondermijning zijn dat in dit geval de instanties met een regulerende functie; politie, boa’s, FIOD, Douane, reclassering, dat soort instanties. Zij zorgen voor risicoreductie, kunnen voorkomen dat mensen met het strafrecht te maken krijgen. Maar de keeper, justitie, moet wel ondersteunend zijn aan hen!” 

Verplaatsing criminaliteit

Het lastige voor alle partijen in het veiligheidsdomein is dat  criminaliteit veel minder zichtbaar is geworden, stelt Boutellier. Hij doelt op cijfers die laten zien dat er minder mensen aangifte doen, dat gevangenissen dicht gaan omdat er te weinig boeven zijn. Hierdoor ontstaat het beeld dat de criminaliteit is afgenomen. Maar dat is volgens de hoogleraar niet het geval: “Het heeft zich alleen maar verplaatst. In plaats van straatroof houden de boeven zich nu bezig met bijvoorbeeld cybercriminaliteit, radicalisering en ondermijning. Als gewone burger heb je daar weinig tot niet mee te maken. Van cyberfraude, een xtc-lab op een industrieterrein of een geradicaliseerde buurtbewoner doen maar weinig mensen aangifte, je bent daar niet zo snel slachtoffer van. Terwijl die zaken wel veel politiecapaciteit vragen en het maatschappelijke systeem veel meer ontwrichten. Slechts af en toe zien we als burgers symptomen van die nieuwe vormen van criminaliteit. De moord op Derk Wiersum is een extreem en verschrikkelijk symptoom vanuit de ondermijnende criminaliteit. Helaas los je dat niet zomaar op door even meer te investeren in een narcobrigade.”

Driftig tekent hij door. Het middenveld verschijnt; organisaties die niet direct met veiligheid te maken hebben, maar wel daarvoor wel relevant zijn: “Scholen, huisartsen, woningcorporaties, horeca - zij kunnen een norm stellen, maar ook ontwikkelingen, zorgen en kansen signaleren. Zij fungeren als een middenveld tussen de verdediging (politie en veiligheidsinstanties) en de aanvallers, de burgers zelf.” Boutellier benadrukt wel dat het systeem alleen werkt als er van achteruit het veld rugdekking is naar voren toe, uiteindelijk naar de burger. Justitie ondersteunt politie, die ondersteunen op hun beurt weer de maatschappelijke organisaties en die zijn ervoor om de burger te helpen en te ondersteunen, zo stippelt hij uit. 

Het gehele elftal kan dus helpen bij het verbeteren van de wijken en buurten die dat het hardste nodig hebben. Zij kunnen de inwoners nieuwe kansen en ontwikkelingen bieden, op voorwaarde dat politie en justitie meedoen. Op die manier heeft ondermijning minder voedingsbodem om tot bloei te komen.

Inzet op wijk

Toch zijn er ook risico’s. Door bezuinigingen bij bijvoorbeeld politie moet die organisatie kiezen welke rol ze pakken. Boutellier is daar sceptisch over. Hij noemt de vorming van een nationale politie een van de grootste fouten in het afgelopen decennium voor het veiligheidsdomein: “Door de gelijktijdige bezuinigingen is de politie meer voor justitie gaan werken.” Hij pakt de tekening van zijn elftal en wijst van de verdedigers naar de keeper. “De politie heeft daardoor minder contact met het middenveld, de maatschappelijke organisaties. En dat heeft gevolgen in de wijk. De wijkagent heeft eronder geleden, belangrijke connecties moeten opnieuw opgezet worden.” Boutellier bepleitte onlangs in NRC Handelsblad dan ook dat Grapperhaus beter kan inzetten op wijkagenten en goede rechercheurs dan op een nieuwe narcobrigade: “We hebben al een enorm systeem die het werk van zo’n narcobrigade doet, zoals de Landelijke Eenheid, de RIEC’s en het LIEC.”

"Het verbeteren van een wijk en het voorkomen van ondermijning moet een gecombineerd doel zijn."

Moeten we dan weer terug naar de Vogelaarwijken? “Nee, niet op de oude manier,” zegt de hoogleraar stellig: “Dat was teveel een projectencarrousel. Het moet een impuls worden voor de bestaande organisaties. Maar het is niet zo dat meer investeren per direct alles oplost. Het verbeteren van een wijk en het voorkomen van ondermijning moet een gecombineerd doel zijn.” Dat wil hij doen door een gecombineerde aanpak, repressief en sociaal maatschappelijk tegelijk. Hij geeft een klein voorbeeld: “Gebruik techniek en big data om als overheid ondermijning op te sporen, maar voorkom dat je een surveillancestaat wordt.”  

Zorg dat de mensen in probleemwijken niet over het hoofd gezien worden, is de boodschap van Boutellier: “Het is aan ons allemaal om te bepalen hoe onze aanpak eruit gaat zien. De centrale overheid moet daarbij meer oog hebben voor lokale problemen. Om positief af te sluiten; het is belangrijk om met elkaar optimistisch te blijven en projecten op te zetten die er echt toe doen.”

Hans Boutellier