Tekst Rianne de Back, landelijk jeugdofficier van justitie

Ze worden steeds jonger, die jeugdige verdachten! Dat krijg ik als jeugd officier vaak te horen van collega’s en je leest het ook in het nieuws. Want inderdaad, nog niet zo lang geleden werden drie tieners, van wie de jongste dertien is, aangehouden op verdenking van een aanslag met een explosief op een woning. En kort daarna werd een veertienjarige op heterdaad betrapt bij het uithalen van drugs in de Rotterdamse haven. In diezelfde periode had ik ook een veertienjarige jongen op zitting die verdacht werd van een gewapende overval op een winkel. Als je dat zo voorbij ziet komen, krijg je inderdaad de indruk dat verdachten steeds jonger worden.  

Monitor Jeugdcriminaliteit

Toch blijkt dit niet uit de Monitor Jeugdcriminaliteit van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het komt maar een enkele keer voor dat een erg jonge verdachte in beeld komt bij ernstige strafbare feiten. De gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst een strafbaar feit plegen, ligt nog steeds rond zestien jaar. Ook is er geen sprake van toename van de geregistreerde jeugdcriminaliteit. Nederland kent al jaren een dalende trend.

Wat maakt dan dat wij als jeugdofficieren ons toch zorgen maken om de jongeren die wij in de zittingszaal zien, van wie enkelen nog erg jong zijn? Komt het door de verschuiving naar meer wapengebruik en sinds twee jaar ook de betrokkenheid van minderjarigen bij het plaatsen van explosieven? Of door de verwevenheid met de online wereld: de contacten die via social media worden gelegd? De instructies die soms worden gegeven om voor een fors geldbedrag een klus uit te voeren?

Er wordt niet gesnitcht

Als ik terugblik op 2024 en mijn zittingsverslagen van de raadkamer nog eens bekijk, is het eerste wat daarbij naar voren komt dat het vooral vaak een raadsel is hoe een jongere in een dergelijke situatie terecht is gekomen. Daarbij speelt ook mee dat jongeren steeds vaker een beroep doen op hun zwijgrecht. Een fundamenteel recht dat hen toekomt, dat wij moeten respecteren. Maar het maakt het wel heel lastig om je dan als jeugdofficier een beeld te vormen van hoe zo’n jongen (vaak zijn het jongens) betrokken is geraakt bij bijvoorbeeld het plaatsen van een explosief. En als daar onvoldoende zicht op is, hoe kun je dan uitvoering geven aan het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht, dat immers gericht is op een ontwikkeling van de jongere in de goede richting om herhaling te voorkomen. Dit dilemma breng ik op een zitting in gesprek met de verdachte vaak ook naar voren. Een enkele keer volgt dan alsnog een verklaring. Maar die gaat dan toch voornamelijk over het eigen aandeel. Er wordt niet gesnitcht.

Grote zorgen

Wat er zou gebeuren als dat toch wordt gedaan, wordt niet verder uitgesproken. En dat is waar ik mij grote zorgen over maak. Op welke manier komen sommige jongeren in bepaalde netwerken terecht? Hebben zij daarbij een eigen keuze of is er ook wel eens sprake van dwang? Hoe kunnen ouders, scholen, jongerenwerkers en de wijkagent daar op tijd zicht op krijgen? En welke initiatieven kunnen er dan genomen worden om verder afglijden te voorkomen? En als het werkelijk mis is gegaan en zij in het jeugdstrafrecht terecht zijn gekomen, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat een jongere toch het gesprek wil en kan aangaan? Immers, alleen dan kan onderzocht worden wat echt nodig is om een nieuwe start te maken. In de eerste plaats een opgave voor allen die zijn betrokken bij het jeugdstrafrecht, waarbij ik benieuwd ben welke mogelijkheden de jeugdstrafrechtadvocaten daarvoor zien. Daar wil ik dit jaar graag over in gesprek gaan.