Tekst Ronald Steen, officier van justitie

Ik loop door mijn huis. Het is leeg, op wat statafels na. Mijn voeten plakken aan de vloer, omdat ik gisteren mijn afscheidsfeestje had voor familie en vrienden van mij en mijn vriendin. Die laatste ligt nu nog bij te komen na buitengewoon veel dansgeweld en een klein drankje. Ik ruim langzaam de troep op en vraag me voor de zoveelste maal af waar ik in vredesnaam aan begonnen ben.

Nieuwe rubriek

In dit nieuwe feuilleton schrijft officier van justitie Ronald Steen over zijn recente overstap van AP Rotterdam naar het OM Curaçao.

Mijn bank, bed en andere meubels zijn, net als de rest van mijn inboedel, per boot onderweg naar Curaçao. Ook mijn eettafel is ingepakt, terwijl dat een afstudeercadeau bleek te zijn van mijn ex, de moeder van mijn kinderen Lionel en Mia. Het schilderij dat ze ooit kocht wist ze nog net te redden.

Het begon allemaal een half jaar geleden toen ik op twee vacatures stuitte voor de functie van officier van justitie bij het Openbaar Ministerie op Curaçao en Sint Maarten. Met dezelfde interesse las ik vijftien jaar geleden een soortgelijke advertentie. Destijds leidde dat tot een serieus gesprek met de toenmalig procureur-generaal van het OM in de Cariben. Samen met mijn ex en onze kinderen – toen nog op de lagere school – overwoog ik de stap te maken, maar na lang nadenken hebben we het toen niet gedaan. Nu realiseerde ik mij dat ik daar altijd spijt van heb gehad.

De eerste stap was het idee bespreken met mijn kinderen, die nog voor de helft van de tijd bij mij wonen. Zij reageerden met: ‘Doen pap.’ Vervolgens besprak ik het idee met hun moeder die zich afvroeg of ik niet nog een paar jaar kon wachten, tot het moment dat de kinderen echt het huis uit waren. Daar zat wat in, maar tegelijk weet ik: nu ben ik nog fit en fruitig. Hoe is dat over een paar jaar? Het wordt fysiek toch allemaal wat minder. Ook besprak ik het idee met mijn vriendin. Die zei al vanaf de eerste seconde: ‘Leuk, ik zeg mijn baan op en ga mee. Ik kijk wel wat daar op mijn pad komt.’

Vier videogesprekken later (‘Hé meneer Steen ik heb maar één vraag voor u: wanneer kunt u komen?’) was ik bij beide vacatures aangenomen. Na een verkenningstrip koos ik uiteindelijk voor Curaçao. Hoewel het voetbal kijken in café Rembrandt een stuk beter beviel dan de grote schermen op Mambo Beach, gaven de grotere schaal en de betere bereikbaarheid van Curaçao toch de doorslag.

Het idee mijn kinderen voor langere tijd in Nederland achter te laten, heeft vanaf het begin aan mij geknaagd. Gek werden ze ervan dat ik er steeds maar weer over begon. Totdat mijn zoon Lionel het uiteindelijk heel duidelijk stelde: ‘Luister, je hebt jezelf twintig jaar voor ons weggecijferd; als je nu niet eindelijk gaat doen wat je zelf wilt, dan vind ik je gewoon een sukkel.’ Oké, duidelijk.

Nachtenlang staarden mijn vriendin en ik piekerend naar het plafond

Vier maanden voor vertrek barstte de hel los. Wat was er veel te regelen. Huis hier, huis daar, huis van mijn vriendin, huis voor de kinderen die niet in dit huis wilden blijven wonen… Uitschrijven hier, inschrijven daar, p-portal dingetjes, verzekeringen, belastingen, het OM hier, het OM Carib, het ministerie van Justitie en Veiligheid en andere organisaties… Ik leek wel de eerste officier die werd uitgezonden. Gelukkig was er de mogelijkheid van een verhelderend gesprek met iemand van het ministerie. Althans, dat hadden we gehoopt, maar de CAO bleek recentelijk te zijn veranderd, waardoor we op iedere vraag over regelingen en vergoedingen te horen kregen dat dat ‘nog niet was uitgekristalliseerd’. Aan het opstellen en checken van eindeloos lange to do-lijsten hadden we een dagtaak. En niet alleen een dagtaak. Nachtenlang staarden mijn vriendin en ik piekerend naar het slaapkamerplafond.

Desondanks vierden we gisteren dus een onvergetelijk afscheidsfeest. Met een fotobooth waarbij sommige mensen niet weg te slaan waren, met een heater die onze partytent deed smelten en met een flinke hoeveelheid bier en friet die evengoed lang niet toereikend bleek omdat we in plaats van de geplande honderd feestgangers, 140 man over de vloer kregen. Maar hé, leve het leven in de grote stad Rotterdam - en leve de avondwinkel.

Zoals wel vaker de afgelopen maanden doemt ook nu, the morning after, opnieuw die ene vraag op: waarom doen we dit eigenlijk? Waarom neem ik voor een periode van drie jaar vrijwillig afscheid van alles en iedereen die mij lief is? Van al die goede studievrienden, van mijn collega’s met al hun lieve kaartjes en cadeautjes, van mijn baas met haar lieve woorden, van mijn eetclubje, mijn koffieclub, mijn zus, mijn voetbalmaten van Panna, van de moeder van mijn kinderen en van mijn gezellige buurtje waar ik iedereen ken (‘Goedemorgen buurvrouw, koud hè!’). En natuurlijk van mijn kinderen, de mooiste en leukste van de wereld, weliswaar rond de twintig, zelfstandig en inmiddels wonend in de stad (ook geregeld: check!). Mensen verwachten het ook niet van mij. Het ís ook niets voor mij. Ik woon al twintig jaar in hetzelfde huis en heb sinds mensenheugenis dezelfde hobby’s, dezelfde baan en dezelfde routines. Ik haat verandering.

Volgende week vertrekken we. Ik ben er klaar voor. Hoop ik

Maar het komt allemaal goed. Als ik althans mijn lieve kinderen en vriendin mag geloven. En mijn voorgangers die ooit door dezelfde hel gingen en dezelfde slapeloze nachten meemaakten. Dat moet ook wel want in dit lege huis, stinkend naar het feest van gister, met alleen nog een matrasje van 1 meter 20 boven, kan ik niet blijven. En natuurlijk weet ik heel goed waarom ik het doe. Noem het een wake up call, een nieuw hoofdstuk, een doorbreking van dat wat ik al jaren doe, een avontuur, nieuwe energie. Op een prachtig eiland, met lekker weer en een nieuwe uitdagende baan.

Vandaag koop ik twee extra koffers voor de belachelijk grote cadeaus waarmee we gisteren zijn overladen. Volgende week vertrekken we. Ik ben er klaar voor. Hoop ik. Ik weet zeker dat ik huilend het vliegtuig in ga, maar ik weet ook zeker dat ik er bruisend van energie weer uitkom. Met reuze zin in een nieuwe uitdaging. Curaçao, we komen eraan.