Tekst Juriaan Simonis, onderzoeker bij het Wetenschappelijk Bureau OM

Recente jurisprudentie over de rechten van verdachten

Een fietsende scholiere wordt aangereden door een auto, denkt ‘shit’ en landt op de motorkap. De auto rijdt snel weg. Volgens het slachtoffer en getuigen zou het om een paarsblauwe Renault Twingo gaan, bestuurd door een man met een donkere paardenstaart. De politie plaatst een opsporingsbericht op Facebook. Er komt een anonieme reactie over iemand die aan het signalement voldoet met zo’n auto. Twee agenten gaan poolshoogte nemen. In de straat staat een blauwe Twingo met een deuk in de motorkap. De politie belt aan bij de eigenaar van de auto. Daar doet een man open met donker haar in een staartje. De agenten vragen hem wat hij die ochtend heeft gedaan. Hij antwoordt dat hij zijn dochter naar school heeft gebracht. Als de agenten vervolgens vragen of er niet ook iets was wat zij moesten weten, biecht hij op dat hij een aanrijding had gehad en daarna door was gereden.

Is het een verhoor wanneer de politie onder deze omstandigheden iemand vraagt: ‘is er ook niet iets wat we moeten weten’? Dat is geen theoretische kwestie. Zodra iemand verhoord wordt, heeft hij bepaalde rechten, zoals het recht om geïnformeerd te worden over zijn recht op bijstand door een advocaat. De Twingo-bestuurder had die informatie niet gekregen voordat de agenten vroegen of er nog iets was wat ze moesten weten. De man werd vervolgd voor doorrijden na een ongeval en veroordeeld. In hoger beroep bij het gerechtshof betoogde zijn raadsman dat de bekennende verklaring niet als bewijs tegen hem gebruikt mocht worden.

‘Zo toont de Hoge Raad zich ruimhartig als het gaat om de rechten van de verdachte’

Het gerechtshof dacht daar anders over. Volgens het hof was de vraag van de opsporingsambtenaren of er niet ook iets was wat ze moesten weten alleen een inleidende algemene vraag; het was nog geen inhoudelijk verhoor. De agenten waren dus niet verplicht om verdachte eerst op zijn recht op bijstand door een advocaat te wijzen.

Maar in cassatie bleek de Hoge Raad guller dan het gerechtshof waar het om de rechten van de verdachte gaat. De Raad nam in ogenschouw dat verdachte aan het signalement voldeed en dat er sterke aanwijzingen waren dat zijn auto bij het ongeval betrokken was geweest. De vragen van de agenten konden dus niet anders worden opgevat dan als vragen naar de betrokkenheid van verdachte bij een strafbaar feit. En dat is een verhoor. De man met het staartje had dus op zijn rechten moeten worden gewezen. De Hoge Raad wees de zaak terug naar het gerechtshof, dat de zaak opnieuw moest beoordelen.

Op dezelfde dag oordeelde de Hoge Raad ook in een andere zaak van hetzelfde gerechtshof dat een verdachte ten onrechte niet over zijn recht op rechtsbijstand was geïnformeerd. Er was een crossmotor bij een proefrit verdwenen. Een agent had de dader van camerabeelden herkend, was toen naar die persoon toegegaan, en had hem gezegd dat hij hem op de gestolen motor had zien rijden en dat hij verbaasd was dat de man ‘bij dit soort praktijken’ betrokken was. Volgens de Hoge Raad was er op dat moment een verhoorsituatie: de opsporingsambtenaar wilde een reactie van de man over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. Deze had toen dus geïnformeerd moeten worden over zijn rechten.

Zo toont de Hoge Raad zich ruimhartig als het gaat om de rechten van de verdachte. Tegelijkertijd kan die ruimhartigheid ook betekenen dat iemand al snel als verdachte aangemerkt wordt en daarom aan dwangmiddelen als aanhouding en fouillering onderworpen mag worden. Ook deze medaille heeft een keerzijde.