Tekst Pieter Vermaas
Foto Loes van der Meer

Bij de overleveringszaken kijkt parket Amsterdam niet naar het bewijs in de onderliggende strafzaak. Maar wel: Zijn er juridisch-echnische gronde om overlevering te weigeren? Detentieomstandigheden in den vreemde spelen ook een belangrijke rol.

“Inmiddels is het internationale vertrouwen zo afgenomen, dat de teamleider van het IRC Amsterdam een politieke rol heeft gekregen. Gelijk de rol die de minister van Justitie binnen de uitlevering bekleedt.” Officier Kasper van der Schaft, teamleider IRC Amsterdam, zegt het in alle ernst. Zojuist heeft hij een aantal overleveringszaken voor de Amsterdamse rechtbank gedaan, en in dezelfde zittingzaal praat hij over zijn werk. Buiten bliksemt het op deze 22 juni in Amsterdam, die ook letterlijk donder-dag is.

Zeven jaar geleden, toen Van der Schaft bij het IRC begon, leek er nog geen vuiltje aan de lucht. Het Europees Aanhoudingsbevel (EAB), dat al in 2004 in werking trad, zou gaan leiden tot een soepele juridische overlevering van personen die door andere Europese landen worden opgeëist. Van der Schaft: “Een groot aantal landen van de EU sprak in feite uit dat ze elkaars rechtspleging vertrouwen, waardoor ministers zich er niet meer mee hoeven te bemoeien. Die gaan ervan uit dat landen goed met elkaar samenwerken, dat andere landen verdachten een eerlijk proces bieden, dat er geen vrees voor marteling hoeft te zijn en dat gevangenisregimes humaan zijn. Dan kun je het verder aan juristen overlaten die hun eigen eventuele gronden kennen voor het weigeren van overlevering.”

"De Amsterdamse rechtbank wil dat ik vragen stel over de detentieomstandigheden in Frankrijk"

“De Amsterdamse rechtbank die over overleveringen beslist, kan aan het Europees Hof in Luxemburg ‘prejudiciële vragen’ stellen, waarmee ze helderheid krijgt hoe ze de Europese regelgeving moet interpreteren. Een aantal jaar geleden was dat Hof eigenlijk een ver en vreemd wezen dat je min of meer kon negeren. Dat is sinds 2015 anders: prejudiciële vragen hebben een grote vlucht genomen, en de antwoorden van het Hof leiden ertoe dat het OM vaak aanvullende vragen over overlevering moet stellen aan landen die een EAB uitvaardigen. En dan word ik bijna een minister van justitie die politieke vragen moet gaan stellen. Dan bel ik bijvoorbeeld het ministerie van justitie in Frankrijk en zeg: ‘De Amsterdamse rechtbank wil dat ik vragen stel over de detentieomstandigheden bij jullie.’ Of ik bel een Deense PG: ‘Ik moet van de rechtbank vragen of je een onafhankelijk orgaan bent.’ Dat alles maakt het moeilijk en interessant.”

Strafjurist Leonie Lunshof (l) en officier Ursula Weitzel

Lastig doen

De IRC-teamleider vindt die prejudiciële vragen een goede ontwikkeling die de rechten van verdachten en veroordeelden beter faciliteert. Maar dat alles leidt tot veel uitstel van zaken. Daarom wijst Van der Schaft rechters ook op het belang van ‘wederkerigheid’ in internationale samenwerking. “Als een Nederlandse rechter of officier hier te ‘lastig’ gaat doen bij een EAB van een ander land, dan ‘krijgt’ een Nederlandse officier die wil samenwerken met dat andere land ‘hem terug’. Als je een uitzondering in Europa wordt en van alles niet goed vindt – zo ver is het nog niet, hoor – verlies je je krediet.”

Het IRC Amsterdam telt vijf officieren van justitie, die zich vanuit uitvalsbasis op het IJdok fulltime met internationale rechtshulp bezighouden. De zaken van deze togadragers worden voorbereid en beoordeeld door tien parketsecretarissen. En op de IRC-administratie zorgen tien medewerkers voor administratieve en organisatorische ondersteuning, bijvoorbeeld door vluchten te regelen voor over te leveren personen. Ook zijn er twee managementassistentes en een stafjurist. Het IRC heeft ook een locatie bij de politie op de Amsterdamse Kabelweg. Daar zitten twee (coördinerend) parketsecretarissen en vier administratief(-juridisch) medewerkers.

EAB-zaken vormen de hoofdtaak van het werk van IRC Amsterdam, zegt stafjurist Leonie Lunshof. “Wij doen hier voor het hele land de inkomende EAB’s af: per jaar komen er zo’n acht- à negenhonderd EAB’s bij ons binnen. Daarom zijn wij een relatief groot IRC. De úitgaande EAB’s worden wel lokaal afgehandeld.”

EAB’s vallen onder de ‘grote’ rechtshulp. Bij kleine rechtshulp gaat het niet om overlevering van personen, maar om overdracht van bewijs, goederen, data, documenten.

Ontvoering

Wat commune officieren en secretarissen over het IRC moeten weten? Officier Justine Asbroek twijfelt geen seconde: “Dat je vooral een beroep op ons moet doen! Elke keer als een zaak een internationale kant heeft of kan krijgen, kan dat je helpen. Want op het moment dat de verdachte die jij onder de tap hebt, de grens over rijdt en de tap dreigt weg te vallen, dan wil je snel weten wat je in het buitenland allemaal kan en wie je daarvoor kunt benaderen. Alle IRC’s behandelen ook zaken van internationale kindontvoering. Stel, twee ouders hebben een problematische relatie en de politie heeft aanwijzingen dat een vader of moeder op het punt staat zijn of haar kind naar het buitenland te ontvoeren. Als op het moment dat zoiets ook daadwerkelijk gebeurt daar direct een rechtshulpofficier bij wordt betrokken, kunnen wij zolang dat kind nog in Europa is met onze contacten en systemen het kind ‘signaleren’ en de vader of moeder misschien ergens bij een Europese grens op tijd tegenhouden.”

Sepot wegens landsbelang

En nog iets, doceert de in hoog tempo pratende Asbroek. Zolang een verdachte in Nederland een strafzaak heeft lopen, kan hij niet worden uitgeleverd. Stel dat iemand in het buitenland wordt verdacht van moord, en hij pleegt hier een winkeldiefstalletje. Als die winkeldiefstalzaak hier al loopt en er al gedagvaard is, proberen wij te kijken of de officier in de Nederlandse zaak bereid is de dagvaarding in te trekken en of er kan worden geseponeerd ‘wegens onvoldoende landsbelang’. (sepotcode 32). Want als de diefstal voor de rechter komt en er wordt een geldboete opgelegd, gaat de verdachte vrijwel altijd gelijk in beroep; dan loopt de Nederlandse zaak nog steeds en mag de verdachte nog steeds niet worden uitgeleverd. De reden daarvoor is dat de meeste opgeëiste personen toch liever in Nederland dan in bijvoorbeeld Hongarije of Portugal vastzitten. Als die zaak en dat hoger beroep er toch komt, zien wij graag dat er spoed achter wordt gezet. Anders kan die opgeëiste persoon al die tijd niet worden overgeleverd, maar moet die hechtenis na de uitspraak in de overleveringszaak op die titel van uitlevering wel elke dertig dagen worden verlengd. Dat is niet alleen erg arbeidsintensief, het betekent in de praktijk ook dat opgeëiste personen lang gedetineerd blijven.

Op het IJdok kijkt parketsecretaris Jan Jippe Arends vooruit naar de zaak van meneer B. die officier Van der Schaft deze middag heeft. Tegen meneer B. heeft Hongarije een EAB uitgevaardigd omdat B. een internationaal transport van verdovende middelen zou hebben georganiseerd: in februari 2015 werd aan de Hongaarse grens marihuana aangetroffen. “Maar of die verdenking bewezen kan worden, daar gaat het vanmiddag niet om”, zegt de parketsecretaris. “We leveren geen Nederlanders uit voor vonnissen die onherroepelijk zijn, maar wel voor vervolging. Daarom hebben wij een terugkeergarantie aangevraagd die ook in het dossier staat: als B. wordt veroordeeld mag hij in Nederland zijn straf uitzitten. Dat is een ‘weigeringsgrond’ voor de Amsterdamse rechtbank: als bij toetsing was gebleken dat die garantie niet is afgegeven, weigert de rechtbank de overlevering.”

Officier Ursula Weitzel

Overbevolkt

De zaak B. sleept zich voort. Nederland ontving al in augustus 2015 een EAB voor B. Maar ja, hoe zit het met de detentieomstandigheden in Hongarije? Eerder heeft het Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg Hongarije en Roemenië veroordeeld omdat de detentieomstandigheden in overbevolkte gevangenissen er vaak slecht waren. Daarbij hebben gedetineerden schadevergoedingen gekregen. Met die Straatsburgse uitspraak in het hoofd heeft het gerechtshof in Bremen in juli 2015 in een andere zaak aan het Hof in Luxemburg een prejudiciële vraag gesteld: Moet de EHRM-uitspraak gevolgen hebben voor overlevering naar die landen? Het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg antwoordde: Als er objectief bewijs van dit soort mensenrechtenschendingen is, moeten de uitvoerende lidstaten de uitvoering van EAB’s (tijdelijk) stopzetten. Eerst moeten lidstaten dan, bij een concreet geval, vragen stellen aan de uitvaardigende lidstaat om te beoordelen of in dat geval het risico van dergelijke schendingen zich voordoet.

Die vragen heeft parketsecretaris Jan Jippe Arends in juli 2016 aan het Hongaarse Ministerie van Justitie gesteld: Als B. (en anderen) worden overgeleverd, kan Hongarije dan garanderen dat B. voldoende bewegingsruimte en sanitaire voorzieningen krijgt, en garanderen dat de Hongaarse Ombudsman toezicht houdt bij het voorkomen van marteling?

Jazeker, antwoordden de Hongaren met zoveel woorden. Ze garanderen dat B. in twee gevangenissen gedetineerd zou kunnen worden, die voldoen aan de voorwaarden van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van de Raad van Europa.

“Maar toen we dat dus hadden opgelost, begon een andere vraag te spelen”, vervolgt Arends. “Namelijk: op welke beslissing van de uitvaardigende staat is het EAB gebaseerd? In de zaak B. was er alleen een Europees Aanhoudingsbevel. Een onderliggend nationáál arrestatiebevel ontbrak. En eerder had het Hof in Luxemburg – weer in antwoord op prejudiciële vragen – bepaald dat zoiets niet kan: er moeten twee bevelen, met twee toetsingsmomenten zijn.”

Ook dit probleem lijkt inmiddels opgelost, zegt de parketsecretaris, terwijl hij een brief uit het dossier pakt. “Kijk hier, deze brief van het Hongaarse ministerie van 29 juni 2016 bevestigt dat er een nationaal aanhoudingsbevel is van 29 april 2015, dat door de officier van justitie in Csongrád is bevestigd.”

Maar ook dat was nog niet voldoende. De vraag ontstond: Mag een aanhoudingsbevel van de politie worden bekrachtigd door een officier van justitie? Want het Kaderbesluit stelt dat zo’n bevel door ‘een justitiële autoriteit’ moet worden uitgevaardigd. Daarop stelde Rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen aan het Hof in Luxemburg. Wij waren heel blij met het antwoord: ja, een officier van justitie geldt als justitiële autoriteit. Dus verwacht ik op de zitting vanmiddag geen problemen.”

Officier Justine Asbroek

Stress en infarct

Die problemen ontstaan toch, blijkt ’s middags op zitting van IRC-teamleider Kasper van der Schaft. De advocaat van B. twijfelt nog steeds aan de detentieomstandigheden in Hongarije, en brengt een journalistiek artikel van augustus 2016 in, dat zou bewijzen dat de omstandigheden nog steeds slecht zijn. En er is meer, zegt de advocaat. “Mijn cliënt komt weliswaar in een van die twee goedgekeurde gevangenissen terecht, maar kennelijk eerst in een ‘verdeel’-detentiecentrum in Boedapest, terwijl hij daar misschien maanden moet verblijven. Juist voor mijn cliënt is dat verontrustend. Eerder heeft hij een infarct gehad, waarvoor hij regelmatig medicijnen moet nemen. Zijn neuroloog heeft erop gewezen dat stressverhoging kan leiden tot een nieuw infarct.”

Officier Van der Schaft stelt dat het krantenartikel “een herhaling is en niets toevoegt”. En als meneer B. wordt overgeplaatst “zullen we de Hongaren goed informeren over de medische situatie”.

Een ander probleem lijkt nog groter. Omdat er in de brieven van de Hongaren verschillende nummers en kenmerken staan, lijkt het erop dat sprake is van meerdere EAB’s en dat er inmiddels sprake is van hoger beroep in Hongarije voor de zaak van B. B’s strafpleiter, retorisch: “Kan de overlevering van meneer B. wel inhoudelijk worden beoordeeld, nu de grondslag voor die EAB’s onduidelijk is?”

Volgens officier Van der Schaft wel. “Ik heb in de systemen gekeken en kan geen tweede EAB vinden. Maar als er een tweede is zie ik geen reden om nu niet te kunnen beoordelen. Het gebeurt wel vaker dat een land niet wacht op overlevering en dat al hoger beroep wordt ingesteld. Er is nog steeds sprake van een appellabele beslissing. Dus ik concludeer dat u de overlevering kunt toestaan.”

De rechtbank gaat niet mee met de officier. “Er zijn te veel onduidelijkheden, er moeten nadere vragen worden gesteld. Er ontbreekt nu informatie over een Hongaars vonnis, en de aanwijzing van een eventueel nieuw EAB willen we ook gecheckt hebben. Dus houden we deze zaak voor onbepaalde tijd aan. En vanwege het tijdsverloop ziet de rechtbank reden om de schorsingsvoorwaarden aan te passen: meneer hoeft zich niet meer te melden op het politiebureau.”

Kruisjes zetten

Het EAB versnelt de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit in de regel, maar geeft ook extra werk, zegt stafjurist Leonie Lunshof. “Neem een rechter in Spanje die, misschien wel voor het eerst in zijn carrière een EAB uitvaardigt. Op het standaard EAB-formulier zet hij op de goede plek wat kruisjes, en dan denkt hij klaar te zijn. Maar dan krijgt hij van ons ineens allerlei vragen. Is al sprake van een onherroepelijk vonnis? Zo ja, hoe is dat onherroepelijk geworden? En is de verdachte wel opgeroepen? Heeft hij een dagvaarding ontvangen? Is die dagvaarding in persoon uitgereikt, aan een huisgenoot of door de brievenbus gegaan, terwijl verdachte er niet meer woonde? En in welke gevangenis komt hij straks? Soms weet hij het antwoord niet, omdat hij er niet rechtstreeks over gaat.”

Tegelijkertijd ziet Lunshof dat het belang van internationale samenwerking overal, ook bij de politie, steeds meer tussen de oren komt. “Als je vroeger een paar verdachten van woninginbraken had, ging je snel je tenlastelegging maken, terwijl je misschien wel in de gaten had dat ze ook in België en Duitsland actief waren. Want, zo werd geredeneerd: welke meerwaarde had het om een heel samenwerkingsverband te gaan optuigen? Tegenwoordig wordt steeds meer geredeneerd: we gaan juist met andere landen samenwerken tegen die mobiele bandieten, dan hebben we de verdachten niet een paar maanden, maar mogelijk een paar jaar achter de tralies.” 

Stafjurist Leonie Lunshof

‘Geen idee’

Als er nog geen EAB is, of nog geen vertaald EAB, wordt de opgeëiste persoon voorgeleid voor de rechter-commissaris, maar als dat er al wel is, wordt de persoon voorgeleid bij de officier van justitie, die een persoon dan maximaal 90 dagen kan vastzetten. De aanklager heeft daarmee feitelijk de rol van een RC. Ook voor advocaten is dat vaak bijzonder om mee te maken.

Dat speelt ook nog later die middag. In een kamer in het Amsterdamse rechtbankcomplex kijkt officier Ursula Weitzel een minderjarige jongen uit Litouwen in de ogen. Links van hem ziet Weitzel een tolk, rechts zijn advocaat. De jongen zit al in voorlopige hechtenis voor een andere zaak. “Maar ik ga je nu aanhouden in het kader van de Overleveringswet. De Litouwse rechtbank zoekt je en verdenkt je van zeven strafbare feiten, woninginbraken, auto-inbraak, geweld en diefstal met geweld. Wij hebben het strafdossier niet en of het terecht is dat zij jou zoeken kan ik niet beoordelen. Ik mag alleen kijken of de Litouwse autoriteiten alle feiten hebben doorgegeven die ze moeten doorgeven.”

“Ik heb eigenlijk geen idee waarover dit gaat”, zegt de jongen via zijn tolk. “Dat kan”, zegt Weitzel, ‘je bent nog niet aangehouden door de Litouwse politie, dus dan is dit het moment dat je dat hoort.”

Over ongeveer acht weken zal de Rechtbank Amsterdam bepalen of de jongen naar Litouwen wordt overgeleverd, zegt de officier, maar eerst moet een eventuele straf in de Nederlandse zaak helemaal afgerond zijn. De advocaat laat weten dat hij bij voorkeur eerst hoger beroep voor die Nederlandse zaak wil instellen.

De jongen wil zijn leven op de rails zetten, vertelt hij de officier. “Ik wil gaan werken, en niet meer rondlopen op straat.”

“Hoe gaat het nu met je in de gevangenis?”, vraagt Ursula Weitzel.

De jongen: “De eerste twee weken waren zwaar. Door het taalverschil kon ik niets vragen. Sinds ik ben overgeplaatst, gaat het beter. Ik zag daar tegenop, maar ik ben juist aangenaam verrast hoe men daar met elkaar omgaat. En ik kan spelletjes doen en Engelse tv-series kijken.”

Officier Weitzel ziet geen onvolkomenheden in het EAB op grond waarvan de overlevering geweigerd zou kunnen worden en rondt af: “Ik beslis om de verzekeringstelling voort te zetten. Dus als je vrijkomt voor je Nederlandse zaak, kom je vast te zitten voor de Litouwse zaak. Hier ontvang je de kopie van het aanhoudingsbevel, in het Litouws én in het Engels. Kun je gelijk je Engels nog wat oefenen.”