Tekst Steven Beek
Foto Loes van der Meer

Martin Eversdijk is expert in het analyseren van bloedsporen

Bloedsporen spelen al eeuwenlang een rol in politieonderzoeken, maar pas sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt bloedspoorpatroonanalyse (BPA) op een wetenschappelijke manier toegepast. De forensische stroming die kijkt naar wat bloedsporen kunnen vertellen over een gebeurtenis ontstaat dan in de Verenigde Staten. In Nederland duurt het langer voordat BPA wordt toegepast. “Bloedbeeldanalyse was in de jaren negentig in Nederland nog grotendeels onbekend,” vertelt Martin Eversdijk, bloedbeeldanalist bij Loci Forensics. Eversdijk wordt in binnen- en buitenland ingezet als deskundige en geeft trainingen aan opsporingsprofessionals. “Pas rond de eeuwwisseling zijn de eerste opleidingen bij de politie opgezet. Dat waren basisopleidingen over patroonherkenning, nog ver verwijderd van echte BPA. Op dat niveau is Nederland toen een beetje blijven hangen. Individueel volgden sommige mensen wel trainingen op niveau, maar structureel niet.” Dat zorgde volgens Eversdijk voor verschillen tussen politieregio’s: in de ene regio maakte men grondige bloedbeeldanalyses terwijl het in een andere regio ophield bij een paar foto’s.

“Analyse is zinloos zonder bloedmonsters. Hoe kan ik anders bij meerdere bloeders bewijzen welk bloed van wie is?”

Hoewel er volgens hem nog steeds veel meer opleiding in BPA nodig is, ziet Eversdijk ook dat het steeds beter gaat in Nederland. “Echt dramatische zaken kom ik nu alleen nog tegen in het buitenland,” zegt hij. “Laatst was ik bijvoorbeeld in Italië om te adviseren over een zaak. Ik kwam een schouwarts tegen die voor de inspectie van een schotwond in een schedel zijn eigen balpen gebruikte. Slachtoffers werden op de plaats delict uitgekleed en versleept, overal zaten bloederige handafdrukken van agenten.”

Monsters

Niet alleen een intact gelaten plaats delict is belangrijk voor een goede analyse van bloedspoorpatronen, ook voldoende bloedmonsters zijn van het grootste belang. “Ik kan op basis van goede foto’s best een analyse maken,” zegt Eversdijk, “maar die analyse is zinloos zonder bloedmonsters. Als ik bijvoorbeeld aangeef dat een bepaald bloedspoor niet van het slachtoffer afkomstig kan zijn, dan moet er van dat spoor wel een monster zijn genomen. Hoe kan ik bij meerdere bloeders anders bewijzen welk bloed van wie is?”

Eversdijk noemt als voorbeeld de zaak van het in Amsterdam vermoorde meisje Robiënna. De ex van haar moeder sneed haar hals door met een stanleymes, maar verklaarde later dat dit per ongeluk was gebeurd. “Dat meisje is natuurlijk veel bloed kwijtgeraakt,” vertelt Eversijk, “maar de moeder is ook gestoken, de verdachte is gewond, en dan hebben ambulancebroeders ook nog een grote hoeveelheid donorbloed toegediend op de plaats delict. Als je dan tegen mij zegt, we hebben geen dna-monsters genomen, wat moet ik dan nog? Dan kan een advocaat makkelijk gaten schieten in een scenario.” In die zaak is de verdachte uiteindelijk toch, mede door het BPA-rapport, veroordeeld tot 20 jaar cel.

Martin Eversdijk is bloedbeeldanalist. Na zijn werk bij de politie heeft hij samen met Rene Gelderman (rechts op de foto) Loci Forensics opgericht. Loci verzorgt trainingen, ontwikkelt producten voor bloedbeeldanalisten en analyseert op verzoek bloedsporen.

Lumiscene

Bij het opsporen van verwijderde bloedsporen gebruiken Eversdijk en zijn compagnon een chemisch hulpmiddel. Luminol is een geelgroen poeder dat in een oplossing met andere stoffen blauw licht afgeeft als het in contact komt met bloed. Ook bij heel kleine hoeveelheden bloed gloeit luminol op. Daarom wordt het gebruikt om schoongemaakte of anderszins verwijderde bloedsporen te vinden. Ook na stevig schrobben met bleekmiddel kunnen kleine bloedresten achterblijven. Omdat de bloedsporen maar kort oplichten wordt eerst een camera opgesteld, die tijdens het verstuiven van de luminoloplossing opnames maakt.

Luminol is lange tijd niet gebruikt in Nederland, omdat men dacht dat de chemische bestanddelen giftig waren en het DNA in bloedsporen aantastte. Samen met het NFI heeft Eversdijk luminol in de jaren negentig opnieuw geïntroduceerd, toen bleek dat het niet waar was dat DNA door de stof werd aangetast.

“Er waren zoveel bloedsporen dat de chemicaliën enorm oplichtten. Je kon de krant lezen in die badkamer.”

Een van de eerste onderzoeken waarbij Eversdijk en zijn compagnon René Gelderman luminol toepasten was een moord in Limburg. “Een man had zijn vrouw in stukken gesneden terwijl de kinderen lagen te slapen,” vertelt Eversdijk. “Het onderzoeksteam heeft drie dagen de woning doorzocht en helemaal niets kunnen vinden. Toen werden wij ingevlogen vanuit Amsterdam. Wij hebben dat huis verduisterd en bemist met luminol. Het resultaat was verbluffend. Vooral in de badkamer waren er zoveel bloedsporen dat de chemicaliën enorm oplichtten. Je kon de krant lezen in die badkamer.”

Later werden Eversdijk en Gelderman opgebeld door de lokale chef. Was zijn team nou zo incompetent, dat ze dagenlang niets konden vinden? Eversdijk kon hem geruststellen: je moet gewoon weten wat je met luminol kunt doen. Met het blote oog hadden zij immers ook niets gezien in het huis.

In 2009 hebben Eversdijk en Gelderman een nieuwe, verbeterde versie van luminol ontwikkeld: Lumiscene. Het middel wordt inmiddels gebruikt door opsporingsdiensten van over de hele wereld, van de Verenigde Staten tot aan Turkije. “Lumiscene reageert sterker dan klassiek luminol, zodat je er minder van nodig hebt,” zegt Eversdijk. “Wij brengen het met een airbrush aan, niet met een plantenspuit zoals Dexter dat op tv doet. Daardoor komen er minder chemicaliën in contact met het bloed en blijft alles intact.”

Vloeistofdynamica

De analyse van bloedspoorpatronen is voor een groot deel gebaseerd op vloeistofdynamica, de wetenschap die zich richt op de beweging van vloeistoffen. “Een vloeistof wil zo klein mogelijk zijn,” vertelt Eversdijk, “dus een vallende druppel bloed wordt in de lucht mooi rond. Als de druppel onder een hoek landt wordt dat een ellips. Uit de vorm van die ellips kun je opmaken onder welke hoek de druppel is gevallen. Dat is natuurlijk ook afhankelijk van de ondergrond; op een vezelrijke ondergrond bijvoorbeeld zal een bloeddruppel meer uiteenspatten.”

Eversdijk en Gelderman hebben in hun laboratorium een misdrijf geënsceneerd met runderbloed. “Hier is iemand op zijn hoofd geslagen,” vertelt Eversdijk. “De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer opstond en hem aanviel, waardoor hij zichzelf moest verdedigen. Maar de aanklager gaat uit van de hypothese dat het slachtoffer vanuit het niets is aangevallen.” Het is aan de bloedspoorpatroonanalyse om uitsluitsel te geven.

Eversdijk wijst een bloedspetter op de muur aan. “De ronde kant van de spetter is de achterkant van de druppel, daar raakte hij het oppervlak het eerste. Het dunnere staartje van de druppel is de voorkant. Wij selecteren een aantal druppels en tekenen lijnen, waarbij we rekening houden met de zwaartekracht. Met die informatie, en de precieze ellipsvorm van de spetter, berekenen we waar de druppels vandaan gekomen zijn.”

Op de stoel en de grond is te zien dat er een bloedspat-silhouet is ontstaan: er is alleen bloed gevallen langs de benen van het zittende slachtoffer. Eversdijk wijst op een paar grote spetters onder de tafel. “Deze spatjes krijg je als er bloed in bloed valt. Secundaire spatjes in een radiaal patroon. Dat er al bloed lag toen er bloed viel kan belangrijk zijn in een zaak.” In dit voorbeeld verraadt het patroon dat het slachtoffer enige tijd heeft gezeten voor hij weg is gekropen.

Gecombineerd met de berekende bron van de bloedspatten op de muur kan worden geconcludeerd dat het slachtoffer rechtop zat toen hij werd geslagen. “We weten dat het slachtoffer zat, en waar hij zat. Ook kunnen we aan de kracht waarmee de druppels tegen de muur zijn gekomen, zien dat er hard geslagen is. Maar wat je niet kunt zien is of het met een hamer of honkbalknuppel gebeurd is. Je moet als bloedpatroonanalist opletten dat je je bij de feiten houdt. Ik zie helaas nog regelmatig dergelijke overanalyse voorkomen.”

Koffie als bloed

Eversdijk is een van de externe deskundigen van de Landelijke Deskundigheidsmakelaar (LDM) van de politie. De LDM adviseert onder anderen politie, marechaussee en de rechterlijke macht over het inschakelen van experts. Als deskundige adviseert Eversdijk in binnen- en buitenland zowel het OM als de verdediging en nabestaanden over bloedspoorpatronen. Daarvoor komt hij ook in de rechtszaal. “Als de officier me vraagt een complex rapport met een Powerpoint uit te komen leggen aan de rechtbank, dan doe ik dat,” zegt hij. “Ik had zelfs eens een rechter die zei: die vloeistofdynamica waar je het over hebt, die begrijp ik niet. Kun je me dat uitleggen? Ik had gelukkig een pipetje bij me en heb een kop koffie laten halen. Ik heb onder verschillende hoeken druppels laten vallen op een vel papier, om aan te tonen dat je kunt zien onder welke hoek die is neergekomen. Geweldig dat zo’n rechter dat gewoon vraagt.”

Het vak van bloedpatroonanalist kent twee kanten, vertelt Eversdijk. “Je moet creatief buiten kaders kunnen denken, niet het boekje volgen van a tot z. Tegelijkertijd moet je het wel wetenschappelijk aanpakken en niet vanuit je intuïtie gaan werken.” Zoals het er soms in televisieseries aan toe gaat, dat is niet hoe het volgens Eversdijk hoort.

Niets mooiers

Al tientallen jaren ziet Eversdijk dagelijks de meest gruwelijke beelden. Wordt hij nooit eens duizelig van alle plassen bloed? “Ik kan nu stoer doen dat ik er nooit last van heb gehad, maar het kan iedereen overkomen,” zegt hij. “Ik kan morgen een plaats delict oplopen, slecht geslapen hebben of net ziek zijn geweest, en voor je het weet lig je.” Vaak is het meer de geur dan de aanblik van bloed waar je last van krijgt. “Bedorven bloed ruikt verschrikkelijk,” zegt Eversdijk. “Ik heb wel eens naar buiten moeten sprinten, even frisse lucht halen. Maar daarna ga je toch weer naar binnen en verder met je werk. Wij zitten uren naast een stoffelijk overschot, elk spatje onderzoeken we. Zo’n geur gaat dan dwars door je beschermende pak heen, dat ruik je ‘s avonds thuis nog.”

Maar hij doet dit werk al zo lang dat het voor iedereen om hem heen de normaalste zaak van de wereld is. “Ik heb bij mijn kinderen op de lagere school altijd de klas uitgenodigd bij ons in het laboratorium. Mijn kinderen weten precies wat ik doe en vinden het fascinerend. Er is niets mooiers.”

Debby Homans is forensisch officier bij het arrondissementsparket Noord-Nederland.

Bloedspoorpatroonanalyse bij de Marktplaatsmoord

In 2013 leidde officier van justitie Debby Homans het onderzoek naar de ‘Marktplaatsmoord’: een echtpaar op leeftijd werd daarbij van het leven beroofd door een man die zich voordeed als koper van hun boot. In het onderzoek en de daaropvolgende rechtszaak speelde bloedspoorpatroonanalyse (BPA) een belangrijke rol bij de veroordeling van de verdachte.

“De kinderen van het echtpaar deden melding van de vermissing van hun ouders,” vertelt Homans. “Ze wisten dat hun ouders ‘s middags een afspraak hadden met een koper. Ze waren blij met de verkoop, omdat ze met het geld familie in Canada wilden bezoeken.”

Die nacht wordt de boot gevonden in het Hoendiep, een kanaal bij Groningen. Op de boeg en in de kajuit wordt bloed gevonden. De volgende dag worden beide lichamen in het water gevonden. Ze blijken door grof geweld om het leven te zijn gebracht. Na een tip wordt vrij snel een dakloze man aangehouden, met het bloed van de slachtoffers nog op zijn kleding. Toch is de zaak dan nog lang niet rond.

Homans: “De verdachte had bloedsporen van de slachtoffers op zijn broek,jas, schoenen en hand, maar had daar een alternatieve verklaring bij. Hij zei aan boord te zijn gegaan, maar daar niemand te hebben aangetroffen. In de kajuit zou hij in een plas ‘verf’ zijn gaan staan. Hij heeft wat dingen aangeraakt, wat het bloed op zijn kleding zou verklaren, en is weer van boord gegaan.”

Onderzoek

Homans schakelt een bloedspoorpatroonanalist van het NFI in om het verhaal van de verdachte te vergelijken met de hypothese van het onderzoeksteam; dat de verdachte het echtpaar om het leven had gebracht. “We hebben de deskundige gevraagd of het bloedspoorpatroon op de broek van de verdachte veroorzaakt kan zijn door te stappen in een plas bloed. Zijn onderzoek wees uit van niet. Enkele bloedspatjes op de broek pasten volgens hem bij uitgeademd bloed. In daaropvolgende tests wordt in de bloedsporen speeksel van een van de slachtoffers gevonden.”

“Verdachte neemt voorts op geen enkele manier verantwoording voor zijn daden en toont geen enkele vorm van berouw. Hij lijkt totaal niet gebukt te gaan onder de zware verdenkingen. Sterker nog, in de verhoren lijkt hij er zelfs lacherig over te doen. Uit verklaringen van medegedetineerden komt een onthutsend beeld van verdachte naar voren.”

Uit het requisitoir van officier van justitie Homans

Dat zijn verhaal door expertise als ongeloofwaardig kon worden afgedaan was belangrijk in de zaak. De verdachte moest immers naast een van de slachtoffers hebben gestaan - gewond, maar nog in leven. De verdachte wordt veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag en krijgt 25 jaar gevangenisstraf opgelegd. In hoger beroep wordt nog een reconstructie gedaan: de boot wordt in een loods opgesteld zodat de verdachte kan laten zien hoe hij volgens hem op de boot heeft rondgelopen. De experts trekken daaruit dezelfde conclusie: de bloedspoorpatroonanalyse bewijst dat het verhaal van de verdachte niet kan kloppen. Het gerechtshof verklaart de verdachte opnieuw schuldig en verzwaart de straf (overeenkomstig de eis) naar 30 jaar.

Zeldzaam

De inzet van BPA wordt in verhouding niet vaak toegepast. Homans: “Voor mij als officier was dit de enige zaak waarbij ik dit middel heb ingezet. Analyse van bloedspoorpatronen wordt op kleinere schaal ook bij de politie toegepast, maar als je werkt met verschillende scenario’s zoals in deze zaak, kost het erg veel tijd. Zowel de analyse zelf als de werkzaamheden eromheen zijn tijdrovend. We hadden in dit geval al een heel aantal bloedsporen onderzocht op DNA, maar voor de bloedspoorpatroonanalyse was er nog veel meer nodig. Om een reconstructie te maken moet van al die bloedspoortjes duidelijk zijn van wie ze afkomstig zijn. Erg arbeidsintensief maar het geeft heel veel duidelijkheid, zeker in een zaak met twee conflicterende hypotheses zoals deze.”