Tekst Pieter Vermaas
Foto Loes van der Meer

Jack Keijzer en Michiel Zwinkels over nabestaanden van geweldslachtoffers en het OM

Jack Keijzer is vader van een vermoord kind. Michiel Zwinkels is hoofofficier met de portefeuille slachtofferrechten. Dubbelinterview over luisteren en spreken, emoties en juridische afwegingen. “Ik zie een enorme vooruitgang ten opzichte van jaren geleden.”

“We waren een zielig hoopje mensen. Niemand zag ons staan.” Dat zegt Jack Keijzer, voorzitter van de stichting Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (FNG), over de positie die slachtoffers en nabestaanden 25 jaar geleden hadden voor rechters en OM. “Letterlijk hebben mijn voorgangers aan gesloten deuren staan rammelen. En nu, nu zitten we op de koffie bij de minister en de collegevoorzitter. Hoewel alles nog niet 100 procent goed gaat, is mijn insteek heel positief.”

Voor het rammelen en aan de bel trekken geeft Jack Keijzer de credits allereerst aan Jef Rijsbergen, die in 1995 de Vereniging ouders van een vermoord kind (VOVK), oprichtte. En aan Martin Roos, die na de moord op zijn zoon de lotgenotengroep Aandacht Doet Spreken (ADS) startte, gericht op alle nabestaanden van een geweldsslachtoffer.

De zoon van Jack, Pascal, werd in 2007 vermoord. In 2016 sloeg het noodlot voor Jack Keijzer weer toe: “Toen bevrijdde mijn andere zoon Remy zich van zijn leven.”

De verschillende lotgenotengroepen vallen sinds 2014 onder de FNG. Als FNG-bestuurslid hoorde Jack Keijzer destijds te vaak slechte ervaringen van nabestaanden. “Zij verwachtten op zijn minst te kunnen rekenen op wat empathie. Dat ze gehoord werden. Antwoord kregen op hun vragen. Te vaak was dat niet zo. Al die verhalen verbaasden me, want persoonlijk had ik goede ervaringen. De officier in de zaak van Pascal was Monique Panhorst. Zij was geweldig: een tien met een griffel.”

Jack Keijzer, voorzitter Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers

Waarom was Monique Panhorst zo goed?

“Ze deed wat ze zei. Was altijd beschikbaar. ‘Jack’, zei ze, ‘als je wat wil weten, bel of mail me’. Ik heb veel gemaild. Ook op zaterdagen en zondagen – sowieso was ik toen het gevoel voor de dagen kwijt. Kreeg ik diezelfde dag toch weer antwoord, in woorden die ik gelijk begreep. Dat was fijn, want ik zat met veel vragen.”

Welke vragen had je na de moord op je zoon?

“Heel veel vragen over het misdrijf. Wat is er precies gebeurd? Ik wilde alles direct weten, tot in het kleinste detail. Wie was hij, die moordenaar? Wat was zijn rol ten opzichte van Pascal, kenden zij elkaar? Ik had nog nooit van die vent gehoord. Nou, dat was informatie die ik niet kreeg: ‘in het belang van het onderzoek’ – hoe vaak ik díe zin niet gehoord heb! Maar Monique Panhorst zei dat niet kribbig, maar legde dat rustig uit. Die uitleg is zó belangrijk.

Wat staat ons allemaal te wachten, vroegen we ook. Wij baseerden ons beeld vooral op misdaadseries. Waarbij de patholoog-anatoom naast het lichaam van een overledene grappen staat te maken. Een schrikbeeld: het zal toch niet waar zijn?! Maar Lex Meulenbroek van het NFI heeft me vele jaren later gerustgesteld.

Op een gegeven moment wil je ook weten wat de officier gaat eisen. Ik ben altijd tegen de doodstraf geweest, al heb in mijn emotie ook gedacht dat voor elke regel een uitzondering bestaat. Kon het dan levenslang worden, het is toch een moord op een kind? Ik ging erover lezen, en zag dat de straf voor zo’n misdrijf toen gemiddeld rond de 12 jaar lag. Een tikfout, dacht ik eerst nog: het moest vast 22 jaar zijn.

Ik heb er met Monique over gesproken. Wat zou je er zelf van vinden, vroeg ze. Ik zei: “Vanuit de emotie zou ik gaan voor levenslang, maar ik begrijp heus dat je dat niet gaat doen. Wel hoop ik serieus dat het 18 jaar wordt”. Ze eiste uiteindelijk 15 jaar. En dan kun je zeggen: ik snap het niet, ik snap het niet, ik snap het niet. Maar Monique heeft het mij gewoon goed uitgelegd en daar had ik vrede mee. Het beeld bestaat dat voor nabestaanden ‘geen boom hoog genoeg’ is. Maar als hun emotie wat is weggeëbd, begrijpt het overgrote deel volgens mij wel dat je niet iedereen zo maar levenslang kunt geven.”

Tegenover Jack Keijzer, aan een vergadertafel van arrondissementsparket Den Haag, zit Michiel Zwinkels, hoofofficier en landelijk portefeuillehouder Slachtofferrechten.

Michiel Zwinkels, hoofdofficier Den Haag en portefeuillehouder Slachtofferrechten

Michiel, vinden officieren het weleens moeilijk en eng om met slachtoffers en nabestaanden te spreken?

Zwinkels: “Dat weet ik wel zeker. Dat komt ook naar voren in de Oog-in-oogbijeenkomsten, waarin officieren en advocaten- generaal met hen in gesprek gaan. Er komt veel emotie bij kijken. Je wil de emotie van de nabestaande tot uitdrukking laten komen in je zaak, maar je wil ook de zuiver juridische afweging kunnen maken. Dat is balanceren. Dat je een briljant jurist bent, wil niet zeggen dat je dit soort gesprekken kunt voeren. Ik denk wel dat officieren tegenwoordig in die vaardigheden beter getraind zijn.”

Wat is de kern van die vaardigheid?

Keijzer en Zwinkels: “Luisteren!”

Zwinkels: “En ga als officier, op het moment dat er onbegrip is, niet alleen juridisch je standpunt uitleggen, bijvoorbeeld waarom je kiest voor ‘doodslag’ in plaats van ‘moord’ – dat ligt heel gevoelig. Ga niet overtuigen, toon ook begrip. Officieren hebben vaak oprecht het gevoel dat ze het goed hebben uitgelegd: moord, doodslag, voorbedachte raad, opzet en voorwaardelijke opzet. Maar de boodschap is soms moeilijk, en zeker voor mensen die nog nooit met een officier of het rechtssysteem te maken hebben gehad en bij wie wereld op zijn kop staat. Toets dan ook eens of je boodschap echt is geland.”

Keijzer: “Neem ook de tijd. Tijdens een opleidingsavond voor beginnende officieren waar ik mocht spreken, heb ik in gesprekken met hen expres minutenlang vaak op mijn horloge gekeken. Toen ik daarna vroeg of dat hen was opgevallen, knikten ze. ‘Ik deed het bewust’, zei ik hen. Omdat ik van nabestaanden wel hoor dat officieren in een gesprek met hen ook vaak gehaast op hun horloge kijken. Dat komt vervelend over.”

Wat zou dat zijn, Michiel? Zijn officieren te druk? Te weinig geïnteresseerd?

Zwinkels: “Ik herken wat Jack zegt en denk wel dat we als OM daar veel stappen hebben gezet.”

Keijzer: “Zéker!”

Zwinkels: “Als beginnend officier in Amsterdam vond ik die gesprekken hartstikke spannend. Al die emotie. Soms verloopt het gesprek door de emotie en kritiek ineens stroef. Op een gegeven moment ben je ook nog bang dat je je volgende afspraak niet haalt. Dan begin je op je horloge te kijken. Ik hoop en denk ook wel dat dat nu verbeterd is. Officieren worden nu ook beter begeleid. Het OM heeft nu slachtoffercoördinatoren die veel ervaring hebben met dit soort gesprekken. Daardoor zijn verwachtingen over en weer al snel meer uitgesproken. De officier kijkt vanuit een andere rol dan de nabestaande en kan nooit het leed ervaren van de ouder wiens kind is vermoord. En de ouder kijkt vanuit zijn blik. Maar het gaat om het luisteren. Proberen om jezelf te verplaatsen, zonder dat je overal in mee moet gaan. De nabestaanden, zo merk je ook in die Oog-in-ooggesprekken, zijn allemaal redelijke mensen. Logischerwijze met veel emotie, maar allemaal bereid tot een gesprek."

Jack Keijzer: “Het beeld bestaat dat nabestaanden geen boom hoog genoeg vinden.”

"Tijdens een herdenkingsdag heb ik op advies van Jack gesproken met een man wiens zoon was vermoord. De vader zat er – mag ik dat zeggen, Jack? – vrij stevig en geharnast in. Inhoudelijk kwamen we geen centimeter dichter bij elkaar. Ik kón hem niet zeggen: dit en dat had het OM anders moeten doen, maar ik heb hem aangehoord en had wel begrip voor hem. Volgens mij was het toch nog een vrij goed gesprek.”

Keijzer: “Jazeker, dat was wederzijds, zo hebben de ouders mij teruggekoppeld. Zij waren er blij mee. Je nam de tijd voor hen, Michiel.”

Denken OM’ers soms: Hartstikke erg wat slachtoffers en nabestaanden overkomt, maar ik vind dat het strafproces over de verdachte gaat?

Keijzer: “Ik denk dat dat zo wás.”

Zwinkels: “Dat is de klassieke gedachte. Van oudsher is ons strafproces wel verdachtegeoriënteerd. Ik denk dat inmiddels iedereen wel beseft dat het niet alleen voor de verdachte is. Dat zie je terug in de naam van mijn landelijke portefeuille: niet meer ‘slachtofferzorg’, maar ‘slachtofferrechten’. Een switch naar een meer volwassen benadering van slachtoffers en nabestaanden. Zij zijn geen zielige mensen die we over de bol moeten aaien – daar zijn we als OM ook niet voor - maar mondige mensen die gewoon hun recht willen uitoefenen. Recht op een correcte bejegening en recht op informatie. Wij moeten hen daartoe in staat stellen.”

Wat wensen ‘jullie’ als nabestaanden nog, Jack?

Keijzer: “Het gaat best goed nu. Laat dat vooral niet los. Houd de aandacht vast in de opleidingen en de bijeenkomsten met nabestaanden. Houd inderdaad ook aandacht voor de informatie. Wij zijn zelf hard aan de slag gegaan om de brieven te verbeteren van het Informatiepunt Detentieverloop. Want er kwámen bij nabestaanden en slachtoffers toch brieven op de mat… Met één zin, uitgesmeerd over drie regels. Die kwam er eigenlijk op neer: ‘Als je vragen hebt: niet aan ons stellen’. Tenhemelschreiend. Tegenwoordig zijn die brieven behoorlijk verbeterd. Niet iedereen krijgt zo’n brief, en we krijgen er niet helemaal de vinger achter hoe dat komt. Dan staat er ergens in het systeem geen vinkje, geloof ik. Maar als dat fout gaat, zijn nabestaanden weer helemaal van de leg.”

Zwinkels: “En dat is elke keer buitengewoon pijnlijk. En dan kunnen we als OM niet zeggen: ‘ja, maar het is een incident; 99 procent gaat goed hoor’.”

Keijzer: “Iets anders is de proformazittingen. Het gebeurt niet vaak meer, maar af en toe krijgen nabestaanden te horen: ‘Ga daar maar niet naar toe, dat is niet interessant.’ Maar hé, of we dat interessant vinden, dat bepalen we toch zeker zélf wel? Laat mij nou maar achteraf bepalen of het zonde van mijn tijd is geweest. Maar ga jij dat niet voor mij bepalen. Men moet gewoon uitleggen wat een proformazitting is, en daarbij kun je best vertellen dat het soms gebeurt dat je binnen twee minuten al weer op straat staat.”

Zwinkels: “Eens. We moeten niet voor nabestaanden gaan denken. Informeer ze goed en meld dat ze mogelijk binnen vijf minuten weer buiten staan. Maar wij weten over het algemeen niet voor 100 procent zeker wat er gaat gebeuren op een zitting. Dus geef de juiste informatie, maar laat mensen hun eigen afweging maken.”

Keijzer: “Precies. Want wij zijn wel zielig, maar niet helemaal van lotje getikt.”

Michiel Zwinkels: “Als beginnend officier vond ik gesprekken met nabestaanden hartstikke spannend.”

Het valt me op dat je dat je niet pleit voor hogere straffen, Jack.

Keijzer: “Daar moeten we wat van wegblijven. Nou ja, we hebben daar wel voor gepleit, maar de afgelopen jaren zijn de straffen ook wel verhoogd – al zal ik niet zeggen dat dat door ons komt.

Zwinkels: “Dat jullie daar het debat over zijn aangegaan, is onmiskenbaar een belangrijke invloed geweest.”

Keijzer: “Maar op een gegeven moment moeten we ook uitkijken dat we niet een rupsje-nooitgenoeg worden. Moeten we ons realiseren dat niet iedereen dertig jaar of levenslang krijgt. De laatste jaren hoor ik in onze groep, als je erop doorvraagt, van heel weinig mensen dat zij de straffen écht te laag vinden. Tuurlijk, 15 jaar is voor ons niks. Wij hebben wel levenslang – een cliché, maar wel waar. Maar 15 jaar is wel 15 jaar, en dat is boven het gemiddelde. En als dat voor doodslag is, en het is goed uitgelegd en doorgedrongen tot nabestaanden, dan beseffen die ook wel dat je daar geen 25 jaar voor kunt krijgen. Dus in zijn algemeenheid zijn we redelijk tevreden over de hoogte van de straffen. Dat staat niet meer bovenaan ons lijstje.

Michiel Zwinkels: “Wat staat nu bovenaan jullie lijstje, Jack?”

Keijzer: “Naast dat luisteren: uitleggen in jip-en-janneketaal. Met ‘primair en subsidiair’ haken mensen af, hè? En draag zorg dat de slachtoffercoördinator altijd de nabestaande bijstaat. Mogelijk zijn het incidenten, maar we hebben een paar keer gehoord dat mensen een slachtoffercoördinator niet gezien hebben op of rond de zitting.”

En op jouw lijstje, Michiel?

“Dat wijkt niet veel af van wat Jack zegt. Luisteren en informatie verstrekken. Dat is belangrijk. Als we dat goed doen, besparen we ons zelf ook veel gedoe. Op dit moment zijn we bezig met het punt van de privacybescherming van slachtoffers. We merken dat er steeds meer angst bij slachtoffers is om aangifte te doen, omdat je gegevens dan in het dossier komen, en dan komt het bij de verdachte terecht.”

Over jargon gesproken: dan kunnen slachtoffers ‘domicilie kiezen’, toch?

Zwinkels: “Ja, dan komt in het proces-verbaal een ander adres dan je huisadres. Dat kan van de politie of van je werkgever zijn. Uiteindelijk is voor slachtoffers belangrijk dat het gewoon geregeld wordt.”

Keijzer: “Wat privacy betreft, kijk ik ook naar de media. Dan hoor of lees je bijvoorbeeld: ‘Jan S. heeft Johan de Groot vermoord’. De privacy van de moordenaar wordt dus beschermd, maar het slachtoffer wordt met naam, toenaam, foto en waar hij woont, genoemd. De ene nabestaande vindt dat een mooi eerbetoon, de ander walgt ervan. Maar het gaat me om het speelse gemak waarmee het gebeurt. Ik herinner me nog die foto van de neergeschoten Pim Fortuyn in De Telegraaf. Had nou per se die gedetailleerde foto, zó groot, op de voorpagina gemoeten?”

Zwinkels: “’Namens de familie’, een stichting met onder meer de oom van Anne Faber, is nu met dat thema bezig. Vanuit de ervaring die zij hebben gehad adviseren ze nabestaanden over de contacten met de pers. Hoe begeleid je iemand als er drie journalisten in je tuin liggen – dat gebeurt, he! En journalisten die bij buren van een slachtoffer aanbellen, zich voordoen als iemand anders, om dan toch maar informatie te krijgen…”

Keijzer: “Is bij ons ook gebeurd. Vrienden van Pascal stonden op de plaats delict om bloemen te brengen. Een goede kennis van ons zei daar iets als: ‘Het komt allemaal door jeugdzorg, dat vindt de vader ook’. Bleek er een journalist bij te hebben gestaan die zich niet had voorgesteld. Dus een dag later zúlke letters in de krant: ‘Vader geeft jeugdzorg schuld’. Joh, de stoom kwam uit mijn oren. A: ik heb dat nooit gezegd, en B.: al helemaal niet tegen die journalist. Ik ben naar de Raad voor de Journalistiek gegaan. Toen belde op enig moment de hoofdredacteur van de krant. Op zondagavond half elf, dus schrok ik me weer het lazarus. Uiteindelijk heeft hij dat trouwens best netjes opgelost. Nou ja, aan dit soort dingen kan het OM natuurlijk ook niks doen.”

Zwinkels: “Het geeft wel aan dat uiteindelijk veel organisaties een rol spelen. Daarom is, ook in de keten, samenwerken zo belangrijk. Want als het OM het goed doet en Slachtofferhulp niet, of andersom, houden mensen er toch een slecht gevoel aan over.”

Lees ik OM-beleidsstukken goed, Michiel, dat het OM over slachtofferrechten min of meer zegt: het was ontzettend nodig dat we dingen in gang hebben gezet, maar we zijn nu wel op een mooi eindpunt aangekomen?

Zwinkels: “We zeggen, ook richting de minister, dat er in de afgelopen tijd veel op ons is afgekomen als strafrechtketen. De uitbreiding van het spreekrecht, de nieuwe rol en positie van de slachtofferadvocaten, de toegenomen aandacht voor informatievoorziening aan slachtoffers en nabestaanden, de individuele beoordeling. Terwijl ons systeem nog vrij klassiek verdachtegericht is. Dus, geef ons nu even de tijd om al die belangrijke veranderingen goed in te regelen. Dan kunnen we ook die 100 procentscore benaderen.”

En als dat goed is ingeregeld?

Zwinkels: “We zoeken een balans tussen de belangen van slachtoffers en verdachten. Die kunnen weleens op gespannen voet met elkaar staan. Zoals bij het wetsvoorstel dat verdachten verplicht om aanwezig te zijn als slachtoffers of nabestaanden van hun spreekrecht gebruik maken. Ik snap dat nabestaanden dat willen; tegelijkertijd spreken zij dan tegen een verdáchte, die later kan worden vrijgesproken.”

Keijzer: “Wij zijn blij met het standpunt van minister Dekker in deze. Overigens, volgens mij gebeurt het niet zo vaak dat wij nabestaanden echt als randdebielen tekeergaan tegen verdachten. Terwijl jullie officieren tegen verdachten ook vaak tekeergaan. Wat mijn officier Monique Panhorst destijds in de rechtszaal tegen de verdachte zei – ha, daar lustten de honden ook geen brood van, hoor.”

Het OM werft slachtoffercoördinatoren

Het OM is voor bijna alle parketten op zoek naar slachtoffercoördinatoren. Het gaat om 20 fte.

Het OM wil slachtoffers beter ondersteunen in het uitoefenen van hun slachtofferrechten. Daarom is ruim twee jaar geleden de pilot “Aandacht voor impactzaken” gestart in de arrondissementen Oost- Nederland, Noord-Holland en Amsterdam. De pilot is inmiddels geëvalueerd en positief beoordeeld. Minister Sander Dekker heeft structureel middelen beschikbaar gesteld om de begeleiding van slachtoffers van impactzaken uit te kunnen breiden.

Slachtoffercoördinatoren zijn het aanspreekpunt voor slachtoffers en nabestaanden van misdrijven. Zij vormen de schakel tussen de officier van justitie, nabestaanden en slachtoffers. Ze geven uitleg over het strafproces en houden mensen op de hoogte van de voortgang. Ze onderhouden ook contacten met instanties als de politie en Slachtofferhulp Nederland.

Ze zijn zich ervan bewust dat de belangen van het OM kunnen botsen met die van de slachtoffers en nabestaanden. Soms moet in nauw overleg met de officier vastgesteld worden welke informatie zij kunnen verstrekken. Slachtoffercoördinatoren bewaren hun professionele distantie en nemen niet de hulpverlening over. Wel kunnen ze zich inleven in de gevoelens en belevingswereld van anderen en houden zij hiermee rekening.

Meer informatie over de vacature is te vinden op:https://werkenbijhetom.nl/ad/slachtoffercoordinator/6rj10n

Zwinkels: “Mijn punt is overigens iets breder. Natuurlijk kun je het systeem verder aanpassen. Daar moet je niet geharnast in zitten, want de maatschappij ontwikkelt zich ook verder. Wel merk ik dat we binnen het huidige bestel aan de grenzen zitten van wat we kunnen absorberen. Als je nog verder wil, zou je over een fundamenteel ander systeem moeten nadenken. Een tweefasensysteem bijvoorbeeld, waarbij eerst de schuld wordt vastgesteld, en slachtoffers en nabestaanden in een tweede fase die dader kunnen aanspreken. Uiteindelijk is dat een politieke discussie. Of, naar Duits voorbeeld, de Nebenkläger, waarbij het slachtoffer als een zelfstandige procespartij naast de officier gaat staan. Hoe denk jij daarover, Jack?”

Keijzer: “Ik ben niet faliekant tegen zo’n tweefasenproces. Als we maar iets tegen de verdachte kunnen zeggen, en dan hopen wij dat de rechter luistert naar ons verhaal en daaruit dingen pakt die hij op de weegschaal legt. En wat betreft die Nebenkläger: Eigenlijk kunnen we nu met dat nieuwe spreekrecht ook al iets zeggen over het misdrijf en het bewijs. Maar of wíj dat als simpele nabestaanden en slachtoffers nou zélf moeten doen? Een goede slachtofferadvocaat, zoals Richard Korver in de zaak-Henriquez, heeft ook best wat voor elkaar gekregen. Wij nabestaanden moeten misschien voorzichtig zijn om iets te gaan brullen, zonder dat dat getoetst is door een slachtofferadvocaat of Slachtofferhulp Nederland.”

Zwinkels: “Dus de rol van de slachtofferadvocaat in combinatie met de uitbreiding van het spreekrecht, vind jij nu wel prima, Jack?”

Keijzer: “Ja, dat is ook een soort Nebenkläger, die zaken veel beter kan verwoorden dan wij. In een systeem waarin wij, slachtoffers of nabestaanden, écht als procespartij meedoen, moet je opletten. Als je dan net niet helemaal goed bent voorbereid en in je emotie wat brult, steekt de advocaat van de tegenpartij zijn vinger op: ‘Mag ik dan ook even wat zeggen?’ Dan loop je het risico dat je nóg een keer een klap krijgt: secondaire victimisatie, om dan ook maar eens zo’n term te gebruiken.”

Zwinkels: “Daarover heb ik met Slachtofferhulp Nederland en andere slachtofferorganisaties ook wel gesproken. Als slachtoffers echt ‘procespartij’ zijn, dan mag de advocaat van de verdachte mogelijk ook op hun verhaal inhakken. Dus die huidige positie, die wellicht als minder volwaardig kan worden gezien, is ook een soort bescherming. Want dan is het jouw verhaal als slachtoffer – en daar heeft die advocaat dan niets van te vinden.”

Keijzer: “Wij zeggen altijd wel tegen nabestaanden: kijk uit wat je zegt en overleg dat heel goed met je casemanager van Slachtofferhulp Nederland. Die kan je adviseren en weet wanneer jouw woorden nergens op slaan. En zeggen: neem gerust een slachtofferadvocaat in de hand, ter bescherming van je zelf.”

Zwinkels: “Ja, Slachtofferhulp Nederland heeft heel professionele mensen. En dat geldt ook voor de slachtofferadvocaten. Zo zijn er veel spelers bij gekomen die het OM scherper naar zichzelf hebben doen kijken. Ook jullie rol is heel belangrijk, Jack. Nabestaanden zijn veel mondiger geworden en hebben nu veel beter toegang tot de Kamer en de minister.”

Keijzer: “En niet te vergeten: ook door jullie zelf, hè! Vorige collegevoorzitter Herman Bolhaar had ons, de nabestaanden, hoog in het vaandel. Op de dag van de herdenking van geweldsslachtoffers waarop namen worden voorgelezen, kwam hij vanuit Maleisië, vanuit Schiphol, húp, direct naar Ommen, naar ons toe. Fantastisch! Gerrit van der Burg idem dito. Jullie zijn er altijd als wij jullie uitnodigen en geven ons altijd goed antwoord. Daar hebben wij echt wat aan. Dat is een enórme vooruitgang ten opzichte van jaren geleden. Dat moeten we vasthouden – en ik denk dat dat gaat lukken ook.”